Waddeneilanden

Van Toerisme

Ga naar: navigatie, zoek

De Waddeneilanden liggen in de Noordzee, ten noorden van Nederland en Duitsland en ten westen van Denemarken. Tussen de eilanden en het vaste land ligt de Waddenzee, die bij eb grotendeels droogvalt en daardoor een zeer belangrijk fourageergebied is voor vogels. De waddeneilanden hebben een totale oppervlakte van 1047,5 km2 en worden bewoond door ongeveer 81.300 inwoners. Het grootste eiland is het Nederlandse Texel, gevolgd door het Deense Rømø en het Duitse Sylt.

Inhoud

Tip

Ontstaansgeschiedenis

Stijging van de zeespiegel

Gedurende de laatste ijstijd, die ongeveer 12.000 jaar geleden eindigde, lag de zeespiegel ongeveer zestig meter onder het huidige niveau. Door het smelten van de ijskappen steeg de zeespiegel en overspoelde het water de grotendeels drooggevallen Noordzee. De huidige kustlijn werd ongeveer 7000 jaar geleden bereikt. Door eb- en vloedwerking werden grote hoeveelheden zand naar de kust getransporteerd. Dit zand hoopte zich op bij rotsen en achter begroeiing.

Er ontstond een grote en aaneengesloten duinenrij die zich uitstrekte van het hedendaagse België tot de monding van Elbe, bij waar nu Hamburg ligt.

Rond het begin van de jaartelling verminderde de stijging van de zeespiegel. De zee had echter al bressen geslagen in de duinenrij en het erachter gelegen lagere land omgevormd tot de huidige waddenvlakte. De steeds maar heen en weer gaande getijdenstromingen sleten hier geulen in uit en op die manier ontstonden de waddeneilanden.

Bewoningsgeschiedenis

Al ver voor het begin van onze jaartelling was er menselijke bewoning in het waddengebied. Tot de achtste eeuw na Christus vindt deze bewoning met name plaats op terpen. De leefomstandigheden zijn slecht, zoals uit een citaat van de Romein Plinius moge blijken:

...wat is de natuur en karakteristieken van het leven van mensen die leven zonder bomen of struiken. We hebben inderdaad gezegd dat in het oosten, aan de kusten van de oceaan, een aantal rassen in zulke behoeftige condities verkeren; maar dit geldt ook voor de rassen van volkeren die de Grote en Kleine Ghaucen genoemd worden, die we gezien hebben in het noorden. Daar stort, twee keer in elke periode van een dag en een nacht, de oceaan zich met een snel getij zich over een onmetelijke vlakte, daarbij de eeuwenoude strijd van de Nature verhullend of het gebied tot het land of de zee behoort. Daar bewoont dit miserabele ras opgehoogde stukken grond of platforms, die ze met de hand hebben aangelegd boven het niveau van het hoogst bekende getij. Levend in hutten gebouwd op de gekozen plekken, lijken zij op zeelieden in schepen als het water het omringende land bedekt, maar op schipbreukelingen als het getij zich heeft teruggetrokken, en rond hun hutten vangen ze vis die probeert te ontsnappen met het aflopende getij. Het is voor hen niet mogelijk om kuddes te houden en te leven op melk zoals de omringende stammen, ze kunnen zelfs niet met wilde dieren vechten, omdat al het bosland ver weg ligt. Ze vlechten touwen van zegge en biezen van de moerassen om daarmee netten te kunnen uitzetten om vis te vangen, en zij graven modder op met hun handen en drogen het meer in de wind dan in de zon, en met aarde als brandstof verwarmen zij hun voedsel en hun eigen lichamen, bevroren in de noordenwind. Hun enige drank komt van het opslaan van regenwater in tanks in het voorhof van hun huizen. En dit zijn de rassen die, als ze nu overwonnen worden door de Romeinse natie, zeggen dat ze vervallen tot slavernij! Het is maar al te waar: Het lot spaart de mens bij wijze van straf.

Rond het jaar 1000 wordt begonnen met de aanleg van dijken. Een belangrijke rol hierbij wordt gespeeld door kloosterlingen, onder andere die van het klooster van Aduard. Maar ook daarvoor worden al pogingen ondernomen de zee te bedwingen. Bij het Friese Peins (in de gemeente Franeker) is een 40 meter lang stuk dijk ontdekt dat vermoedelijk stamt uit de eerste of tweede eeuw voor Christus.

In de late middeleeuwen krijgt de bedijking steeds meer vorm en neemt de wateroverlast af. Vanaf de zeventiende eeuw worden de dijken door landaanwinning steeds meer opgeschoven. Het hoogtepunt hiervan vindt plaats in de negentiende en twintigste eeuw.

Behoud van de Westfriese/Hollandse kust

Ook de duinenrij ten zuiden van de Waddenzee was onderhevig aan dit proces, maar ingrijpen van de mens voorkwam dat de vele stormvloeden de kust van de provincies Noord- en Zuid-Holland definitief veranderden in losse eilanden met een waddenvlakte daarachter. Wel hebben stormvloeden rond 1200 als gevolg gehad dat de noordelijke kust van West-Friesland uiteenbrak in vijf eilanden. Rond 1600 waren de vier langs de westkust alweer teruggewonnen, maar Wieringen, ten zuiden-oosten van Texel, bleef tot in de 20e eeuw een eiland. Door sommigen wordt Wieringen daarom tot de Waddeneilanden gerekend, dus het heeft eigenlijk een andere ontstaansgeschiedenis: het is een stuwwal uit de Riss-ijstijd.

Bedijking van het wad

In Friesland en Groningen zijn vele plannen gemaakt om de Waddenzee in te dijken en droog te maken. Zodoende zouden de eilanden weer deel gaan uitmaken van het vasteland. Natuur- en milieubewegingen hebben dit altijd door actievoering weten te voorkomen.

Het enige, weinig succesvolle plan dat ooit is uitgevoerd is de bouw van een dam van het Friese Holwerd naar Ameland, in 1872 op het toenmalige wantij. De dam liep al snel na de aanleg zoveel stormschade op dat al in 1882 besloten werd de dam op te geven. De dam is sinds die tijd bijna geheel weggeslagen, al zijn er, onder andere aan beide uiteinden, nog restanten te vinden.

In de noordelijke Waddenzee blijkt het bouwen van dammen aanzienlijk eenvoudiger. Nordstrand is nu zozeer met dijken aan de wal verbonden dat er eigenlijk geen sprake meer kan zijn van een eiland, en ook Langeness, Oland, Nordstrandischmoor, Hamburger Hallig, Sylt en Rømø zijn alle via een dam bereikbaar. Mandø is zelfs zonder dam bereikbaar, via een getijdeweg.

Ontwikkeling

Wandelen

De waddeneilanden zijn voortdurend in beweging. De belangrijkste beweging is het 'wandelen': de eilanden verplaatsen zich langzaam maar zeker van west naar oost. Aan de westkant verdwijnen de meeste eilanden langzaam in zee en aan de oostkant ontstaan steeds grotere zandbanken. Dit wandelen is er ook de oorzaak van dat de meeste dorpen zich aan de westkant van hun eiland bevinden. Toen ze werden gesticht lagen ze meestal middenop. In de loop van de laatste eeuwen zijn al vele huizen en zelfs complete dorpen in zee verdwenen.

Haakvorming

De tweede beweging is de haakvorming: langs de zeegaten ontstaan haakvormige zandrichels, die van vorm veranderen met het verschuiven van de zeearm. Door het aanwassen van de haken ontstaan nieuwe platen zoals de Noorder- en Zuiderhaaks. Soms groeit zo'n plaat, ontstaan waar een eiland weggewandeld is, weer vast aan het eiland, waardoor dat verloren gegaan gebied terugwint.

Types waddenkusten

Onderzoek heeft uitgewezen dat er een beperkt aantal mogelijke waddenkust types zijn. Deze zijn afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse, zoals hoogte van het tijverschil en gemiddelde golfhoogte.

In het algemeen geldt dat een groot getijverschil in combinatie met een geringe golfhoogte leidt tot een zeer 'open' kust, zonder eilanden, met enkele zandplaten en een uitgebreid gebied met kwelders en wadplaten.

Wanneer er daarentegen sprake is van een grote gemiddelde golfhoogte maar een klein getijverschil, ontstaat een gesloten kust met zeer lange eilanden (tientallen km), met daarachter een lagune met weinig tot geen wadplaten.

De volgende vijf categorieën waddenkusten worden onderscheiden:

  • type 1: getijverschil is dominant; geen eilanden, uitgebreide kwelders en strandvlakten
  • type 2: door golven opgebouwde richels, soms 'primitieve' eilanden
  • type 3: talrijke zeegaten en (korte) eilanden
  • type 4: afnemend aantal eilanden, langere eilanden
  • type 5: golfhoogte is dominant; lange aaneengesloten barrières

(Bron: M.O. Hayes, Barrier island morphology as a function of tidal and wave regime. In: S.P. Leatherman (ed) Barrier islands, from the Gulf of St. Lawrence to the Gulf of Mexico, Academic Press, 1979.)

De gemiddelde golfhoogte ter hoogte van Rottum bedraagt ongeveer 1 meter terwijl het gemiddelde getijverschil ruim 2 meter bedraagt. Hieruit volgt dat de Nederlands/Duitse waddenkust in type 3 valt, gekarakteriseerd door talrijke (korte) eilanden en veel zeegaten.

Nederlandse waddeneilanden

Afbeelding:WaddeneilandenNL.png
De Nederlandse waddeneilanden
1. Noorderhaaks; 2. Richel;
3. Griend; 4. Rif;
5. Engelsmanplaat; 6. Simonszand;
7. Rottumerplaat; 8. Rottumeroog.

(Steeds van west naar oost:)

Er op uit

Op zoek naar recreatieve links? Klikt u dan hieronder voor allerlei leuke arrangementen!

Met een ezelsbruggetje kunnen deze vijf worden onthouden als: "TVTAS". De Nederlandse eilanden hebben een oppervlakte van 405,2 km2 en tellen 23872 inwoners.



Deze pagina is gebaseerd op het auteursrechtelijk beschermde Wikipedia-artikel Waddeneilanden; het is vrijgegeven onder de GNU Free Documentation License.

Persoonlijke instellingen